Uncategorized

Opmerkingen waar ik stiekem om moest lachen

1.
Ik: “Houd daar eens mee op.”
Dochter: “Maar zij doet het ook.”
Ik: “Als je zusje in de sloot springt, spring je er dan achteraan?”
Zij: “Ja, want ze kan nog niet zwemmen, dus moet ik haar redden.”

2.
Ik: “Van te veel tv kijken krijg je vierkante ogen.”
Zoon: “Oké, dan ga ik wel op de PlayStation.”

3.
Ik: “Ruim je rommel eens op.”
Dochter: “Waarom?”
Ik: “Omdat jij die rommel gemaakt hebt.”
Zij: “Als jíj het dan opruimt, dan doen we allebei íets.”

4.
Ik: “Doe de deur eens achter je dicht.”
Dochter: “Het is toch jóuw deur? Dan kun je hem ook wel zélf dichtdoen.”

5.
Dochter: “Mag ik een spacescooter voor m’n verjaardag?”
(Ja hoor – en volgend jaar zeker een paard.)
Ik: “Dat vind ik te duur, daar hebben we geen geld voor.”
Zij: “Dan haal je het toch even uit de muur?”

6.
Het is zaterdagochtend en zoon wil buiten gaan spelen.
“Mama, ik doe de voordeur zelf wel open. Anders denken de buren dat je gek bent, want je hebt je pyjama nog aan.”

7.
Ik: “Ik waarschuw niet meer!”
Dochter: “Oh, mooi zo.”

8.
Ik: “Hallo, ik praat niet tegen de muur hoor.”
Dochter: “Dat zou ook heel raar zijn.”

9.
Dochter: “Ik wil een koekje.”
Ik: “Mág ik een koekje?”
Zij: “Ja hoor. Dan wil ik er ook eentje.”

10.
Aan tafel:
Ik: “Houd je mond maar even dicht.”
Dochter: “Maar hoe moet ik dan eten?”

11.
Ik borstel haar haren.
Zij: “Au, au! Wat doe je?”
Ik: “Nou, wat denk je dat ik doe?”
Zij: “Mij vermoorden met een kam!”

12.
Ik: “Knoop dat goed in je oren!”
Dochter: “Oren kun je niet knopen.”

13.
Ik: “Ik word moe van jullie.”
Dochter: “Ja, dan moest je maar geen kinderen maken.”

14.
Dochter durft niet in haar eentje naar het speeltuintje aan de overkant.
Zij: “Mama, wil je mee?”
Ik: “Nee schat, ga zelf maar.”
Zij: “Je durft gewoon niet omdat je zelf óók bang bent!”

15.
Dochter: “Mam, wat is dat voor beest?”
Ik: “Een luipaardgekko.”
“Oooh, een luipaard. Dan hoef je me toch geen gekko te noemen als ik dat niet weet?!”

16.
Dochter heeft dorst.
“Doe maar een bodempje in je beker.”
Ze vult haar glas tot de rand.
Ik: “Een bodempje zei ik toch?”
Zij: “Maar de bodem van de zee is toch heel diep?”

17.
Dochter laat de deur van de koelkast open staan.
Ik: “Doe die deur eens dicht.”
Ze kijkt naar de keukendeur: “Die is al dicht.”
Ik: “Ik bedoel de deur van de koelkast.”
Zij: “Is dat ook een deur dan? Wel een rare deur. Het ziet er niet uit als een deur.”
Ik: “Als het open en dicht kan is het toch gewoon een deur?”
Zij: “Oh ja? Als een vogeltje eet, doet hij dat dan ook met zijn deur?”

18.
Dochter: “Mam, jullie gaan nooit scheiden hè.”
Ik: “Ik hoop van niet lieverd.”
Zij: “Ik hoop het ook niet, anders moet jij koken.”

19.
In een etalage staan cadeaus met een kaartje eraan: “Voor lieve mama’s.”
Ik: “Wauw, wat krijg ik dan veel cadeaus zeg.”
Zoon: “Er staat líeve mama’s.”

20.
Zoon ziet een afbeelding van een engeltje:
“Hé, dat vogeltje is een kindje.”
Ik: “Dat noemen ze een engeltje. Sommige mensen zeggen dat een kindje dat dood gegaan is in de hemel een engeltje wordt.”
Zoon: “Jij gelooft ook alles wat ze in de reclame zeggen.”

21.
Ik: “Kom maar, we mogen oversteken. Die mevrouw heeft haaientanden.”
Zoon: “Hoe weet je dat?!”

een reactie

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *