Uncategorized

H2O – een verhaal over een ontmoeting met een zeemeermin

Geschreven door Mabel (9).

Het was een zonnige dag. Marina was met haar ouders en haar broer Sea op het strand.
Marina wilde gaan zwemmen en ze vroeg haar broer om mee te gaan, maar Sea wilde liever voetballen met haar vader. Marina zei: “Oké, dan ga ik wel alleen… doei!”
Ze liep het water in, terwijl ze dacht aan wat haar moeder gezegd had: niet te ver gaan, want het is gevaarlijk in de zee. Precies op dat moment, toen ze al best wel diep was, kwam er een hoge golf over haar heen. Ze schrok en ze begon te proesten. Ze probeerde om hulp te roepen, maar niemand hoorde haar. Ze deed haar ogen dicht omdat ze water in haar ogen kreeg. Ze voelde dat ze een beetje zonk en ze bleef roepen met haar ogen dicht, totdat ze zichzelf hoorde roepen en ze wist dat ze onder water was.
Ze deed haar ogen open en wist niet wat er aan de hand was, maar één ding wist ze zeker. Dit was niet iets wat je elke dag meemaakte. In de verte zag ze een gouden gloed. Ze wilde erheen, maar was eigenlijk wel een beetje bang omdat ze opeens onder water kon ademen. Maar misschien was het iemand die haar kon helpen. Ze zwom ernaartoe en ze geloofde haar eigen ogen niet. Het was een zeemeermin! Ze had roze glanzend haar en een blauwe staart. En ze droeg een ketting van zeewier en schelpen.
De zeemeermin zei: “Help meisje, je moet mij helpen, de zee is in gevaar!”
Marina zei: “Wat kan ik ertegen doen?”
– “We moeten mijn broer vinden, want hij is de enige die de magische drietand kan pakken en hij weet waar dat is. Kun je me alsjeblieft helpen, meisje?”
– “Natuurlijk, mijn naam is trouwens Marina. Wat is jouw naam eigenlijk?”
– “Mijn naam is Aquamarijn.”
“Wauw,” zei Marina, “dat is mooi!”
“Dank je wel,” zei Aquamarijn, “maar we hebben bijna geen tijd meer. We moeten nu mijn broer vinden en hij moet de drietand pakken.”
“Waarvoor heeft hij die nodig?” vroeg Marina.
– “Om de boze zeemonsters te verslaan. Ze zijn ontsnapt uit de kerker in het kasteel van mijn vader, koning Tritanus.”
– “Wauw, is je vader koning? Dus jij bent prinses!”
– “Dat klopt. Ik heb hulp van een mensenkind nodig dat moedig en sterk is, want dat is de voorspelling. Laten we snel gaan zoeken. Ik heb al een ideetje waar het is. Je moet met me mee, want als ik gepakt word kun jij me redden en andersom. En als we tegelijk gepakt worden, zijn we samen zo sterk dat we de gevangenis kapot kunnen maken. Ik heb al geleerd welke toverspreuk daarvoor werkt.”
“Oké,” zei Marina, “zoiets is echt zo cool, alleen ben ik niet zo moedig en sterk als je denkt dat ik ben. Ik kan niet eens mijn kat of de kooi van mijn hamster tillen, dus nee, dat wordt hem niet.”
– “Haha, kom op Marina, je bent wél sterk, alleen moet je dat zelf nog inzien. In geen enkele spiegel kun je zien hoe een persoon van binnen is, alleen jij weet dat. Het gaat niet om je uiterlijk Marina, dus… je kunt gewoon mee.”
– “Weet je het zeker?”
– “Ja, heel zeker, jij bent de enige die ik nu vertrouw.”
– “Oké, laten we dan snel gaan!”
“Kom, deze kant op,” zei Aquamarijn, “achter het koraal ligt het kasteel. Maar je kunt beter zeggen: een donkere kelder, want het is er zo donker dat je niets kunt zien, zelfs niet als je een lichtje aan doet. De zeemonsters kunnen niet tegen licht en dus ook niet tegen de drietand, want die geeft veel licht.”
“Oké, ik snap het, ik blijf je gewoon volgen en zeg niks,” zei Marina.
Aquamarijn zei dat ze door een geheime onderwaterplek onder het kasteel konden komen en dan zou die gang naar de kerker leiden. “Volg mij maar!”
Ze zwommen door de buis waar het heel donker was. Plotseling zagen ze Oceano achter tralies.
– “Oceano! Ik heb je zo gemist! Ik ben het, Aquamarijn. En dit is Marina, wij komen je bevrijden!”
– “Aquamarijn, gelukkig! Ze sluiten me hier op totdat ik zeg waar de drietand is. Hoe wil je mij eigenlijk bevrijden?”
“Wauw! Een echt meermanprins en meerminprinses, dit is de beste dag van mijn leven!” zei Marina.
“Ook aangenaam,” zei Oceano.
Aquamarijn zei: “Ik ga het nu snel doen. Auxilium!”
Het harde koraal en de opgedroogde zeewier waarvan de cel gemaakt was braken doormidden. Oceano zwom snel uit zijn cel en ze probeerden te ontsnappen uit het kasteel zonder dat de zeemonsters ze zagen.
Oceano en Aquamarijn konden zichzelf onzichtbaar maken, maar Marina niet… Ze moesten langs een van de zeemonsters, de wachter van de kerker. Maar toen herinnerde Marina zich iets. Ze had vroeger van haar moeder een drankje gekregen voor als ze ‘s nachts niet goed kon slapen. Het zorgde ervoor dat je meteen in slaap valt, een soort slaapdrankje. Ze had hem mee voor op het strand, om lekker in het zonnetje in slaap te vallen onder een parasol.
Marina pakte het flesje dat aan haar ketting zat. Ze vond een schelp op de grond en pakte hem op. Ze opende het flesje en goot een paar druppeltjes in de schelp. Ze vroeg Aquamarijn om hulp om de wachter te laten geeuwen. Aquamarijn deed het en de zeemonsterswachter begon de hele tijd te geeuwen.
Dat was Marina’s kans om voorzichtig de schelp in zijn mond te doen. Hij kon het niet proeven, want het smaakte normaal. Hij keek langzaam achterom, maar hij viel al in slaap voordat hij hen zag.
Ze zwommen langs de slapende zeemonsterswachter en zagen de uitgang. Ze zwommen heel hard en gelukkig waren ze snel bij de deur. Ze openden hem en gingen eruit.
Aquamarijn vroeg aan Oceano of hij kon vertellen waar de drietand verstopt lag. Hij zei dat de drietand in de verlaten grot was.
“Waar is dat?” vroeg Marina.
– “Het is niet ver hier vandaan, maar er kunnen alleen meermannen komen. Vroeger toen ik klein was ben ik er geweest. Ze zeiden dat ik op mijn 18e verjaardag terug moest komen om de drietand te halen en dat niemand daar mag komen behalve ik, anders is de grot voor altijd gesloten.”
“Ik begrijp het,” zei Aquamarijn. “Ga maar, wij wachten achter het koraal der kleuren. En doe voorzichtig!”

“Zal ik doen en pas jij op dat er geen zeemonsters komen? Ik reken op je zus… en op Marina natuurlijk. Ook al ken ik haar niet, mijn zus kiest wie goed is en ik vertrouw haar. Dag!” zei Oceano.
“Dag!” zeiden Marina en Aquamarijn.
Oceano zwom zo snel als hij kon, zo lang dat het al nacht was toen hij aankwam. De grot was heel groot, hij was grijs en er zat heel veel zeewier op. De deur leek op een poort, maar er was een slot en Oceano wist niet waar de sleutel was. Het sleutelgat had de vorm van een hart. Oceano kon zich niet meer herinneren hoe hij vroeger de poort had opengemaakt. In ieder geval had hij die sleutel niet.
Toen wist hij het weer. Aquamarijn had een ketting gemaakt van schelpen en touw van zeewier. Er zat een gouden sleuteltje aan. Dat had ze van haar moeder Tritanira gekregen. Zij had gezegd: “Als je jezelf ooit buitengesloten voelt, kun je hiermee je eigen deur openen.” Oceano wist dat hij die sleutel nodig had, maar het was al te laat om terug te gaan. Hij was somber en ging naast de poort zitten…
Hij zei in zichzelf: “Ik moet in mezelf blijven vertrouwen. Dat lukt Aquamarijn ook altijd. Misschien heb ik helemaal geen sleutel nodig. Ik heb geen deur nodig, dus ook geen sleutel!”
Hij ging staan voor de poort en zei: “Beste poort, ik ben het, Oceano. Ik ben nu 18 jaar, toen ik klein was kwam ik hier en ik kom nu terug voor de drietand.”
De poort bewoog en ging heel langzaam open. Oceano zwom naar binnen en het was beeldschoon. Overal waren zee-elfjes, ze zwommen heel mooi in rondjes. Toen hij verder zwom zag hij drie platformen; een met een sleutel, een met een hart en een met een zwaard. Hij wist niet wat het betekende en hij wilde dichterbij kijken, dus zwom hij tot boven het platform met het zwaard .
Opeens kwam er een blauwe gloed en er klonk een harde stem: “Beste Oceano, je bent hier om de drie wapens te pakken. Je moet ze koesteren en alleen gebruiken tegen de zeemonsters.”
“Dat zal ik doen,” zei Oceano, “maar waar zijn die platformen voor? En ik kom toch maar voor één wapen?”
“Nee Oceano,” zei de stem, “je kunt dit niet alleen, je hebt je zus Aquamarijn nodig en een mensenkind en dat is Marina.”
“Ik snap het, maar die platformen dan?”
– “Die zijn voor jullie drieën, als jullie de zeemonsters verslaan voordat ze alles zwart maken. Jij hebt de drietand, je zus de magische schelp en Marina heeft het zeewier der waarheid. Ga maar snel en neem je wapens mee. En je hoeft geen moordenaar te zijn, de zeemonsters zullen veranderen in mooie gekleurde visjes en die maken alles weer gekleurd wat zwart is.”
“Bedankt, stem van de grot,” zei Oceano.
“Ga nu maar. De wapens komen naar je toe als de tijd rijp is.”
“Maar… wanneer is de tijd dan rijp?” vroeg Oceano.
Maar de stem zei alleen: “Als de tijd rijp is, ga maar.” Telkens achter elkaar.
Oceano wist genoeg. Hij zwom terug naar de poort en opende hem. Hij zwom zo hard als hij kon. Niet een wezen, dier of mens, kon zo snel zwemmen als hij nu deed. De tijd vloog voorbij. Hij zag het koraal der kleuren in de verte al.
Toen hij daar was zag hij Marina en Aquamarijn. Aquamarijn zwom naar hem toe en omhelsde hem. Marina vroeg wat er allemaal was gebeurd. Oceano zei dat daar nu geen tijd voor was en dat ze snel naar het kasteel moesten. Aquamarijn en Marina volgden hem.
Ze bereikten het kasteel. Een zeemonster zag hen en riep de koning van de zeemonsters. Hij was groot en donkergroen en had zwarte hoorns op zijn kop. Hij had scherpe klauwen en als ieder andere zeemonster had hij een staart met schubben en hij had een kroon op zijn hoofd.
Aquamarijn zei tegen Oceano: “Waar is de drietand? We hebben hem nu nodig, voordat het te laat is!”
Oceano vertelde wat de grot had gezegd: de wapens komen als de tijd rijp is.
“Wapens? Er was toch maar één wapen?” vroeg Marina.
Oceano zei dat hij het niet alleen kon en dat er meer krachtige wapens zijn voor onder de zee.
“Wat voor wapens? En voor wie?” vroeg Aquamarijn.
– “Een magische schelp voor Aquamarijn! En zeewier der waarheid voor Marina! Een drietand voor mij!”
“Wauw,” zei Marina, “echt zeewier dat de waarheid vertelt? Dat kan ik niet geloven!”
“Een magische schelp voor mij! Maar wat doet die dan?” vroeg Aquamarijn.
“Als jij jouw schelp opendoet komt er heel veel licht uit,” zei Oceano.
“Wauw,” zei Aquamarijn.
“Laten we maar snel een einde hieraan maken,” zei Marina.
– “Eh Marina… we hebben nog geen wapens. Oh, wanneer ziet die grot nou eens in dat de tijd nu rijp is!”
Op dat moment zwom er een heel leger zeemonsters het kasteel uit. Ze zwommen heel snel naar Marina. Ze wilden net op haar springen met hun speren toen er plotseling een felle lichtflits kwam. De zeemonsters werden opzij geduwd en Marina kreeg opeens zeewier in haar hand. Aquamarijn een magische schelp en Oceano een drietand…
“Wauw,” zei Marina, “dat had ik niet verwacht. Maar alles is mogelijk in de zee. Nu gaan we er een eind aan maken! Nu echt, toch Oceano, of…”
– “Ja nu echt, Marina!”
Ze vochten met de zeemonsters en ze schreeuwden hard. Marina’s oren deden erge pijn. Nu moesten ze de zeemonsters verslaan en dan kon ze weer weg. Ze zou Aquamarijn nooit meer zien en Oceano ook niet. Marina schreeuwde heel hard. Een paar zeemonsters veranderden in gekleurde visjes. Toen deed Oceano zijn drietand omhoog en er kwam weer een lichtflits, maar dan blauw. Aquamarijn deed haar schelp open en er kwam een paarse lichtflits.
Marina vroeg aan het zeewier of ze Aquamarijn en Oceano ooit nog zou zien en het zeewier antwoordde: “Ja lieve Marina, je krijgt ze na dit alles nog een keer te zien en dat is de waarheid.”
Er kwam een roze lichtflits en ze gebruikten het alle drie tegelijk hun wapens en toen… waren alle zeemonsters verdwenen. Alles wat er over was, waren een paar zee-elfjes en gekleurde visjes. Ze hadden het gedaan!
“Wauw,” zei Aquamarijn, “het is gelukt!”
“Ik wist het wel!” zei Marina.
“Goed gedaan jongens!” zei Oceano. “Kijk, alle zwarte kleuren zijn verdwenen! Kijk nou wat een mooie kleuren, kom we gaan er heen.”
“Wacht!” riep iemand.
“Wie is daar?” zei Oceano.
– “Ik ben de koning van de zeemonsters… maar wees niet bang, ik ben terug hoe ik was.”
Hij kwam tevoorschijn en hij bleek de broer van Oceano en Aquamarijn te zijn. Zijn naam was Zeno.
“Zeno, ben jij dat?!” zei Aquamarijn.
“Ja, ik ben het zus. Ik was gebeten door een zeemonster, waardoor ik slecht werd. Het spijt me, ik wilde niet…”
“Ik vergeef het je,” zei Oceano, “maar beloof me de volgende keer voorzichtig te zijn en niet naar de kerkers met de bijzondere wezens te gaan.”
“Ik beloof het,” zei Zeno. En met zijn vieren gingen ze feest vieren in het kasteel van hun vader, koning Tritanus. Oceano werd de bewaker en de baas van de zee en Aquamarijn werd de nieuwe koningin. Marina kreeg de ketting van Aquamarijn met de magische schelp, alleen moest ze dan wel beloven om een keer terug te komen. En dat beloofde ze.
Na het feest werd het voor Marina tijd om afscheid te nemen. Aquamarijn omhelsde haar en bedankte haar duizendmaal en zei dat ze haar nooit zou vergeten. Zeno zei dat hij erge spijt had en dat ze heel moedig en sterk was. Oceano omhelsde haar ook en bedankte haar, net zoals Aquamarijn.
Marina zwaaide hen uit en zwom omhoog. Ze dacht voor het eerst weer aan haar ouders. En ze was bang dat haar ouders heel ongerust waren en haar aan het zoeken waren. Want ze was een hele dag en een hele nacht weg geweest.
Ze kwam boven water en keek naar het strand. Het was zonnig en haar broer was nog steeds aan het voetballen met haar vader! Hoe kon dat? Ze dacht dat ze uren in zee was geweest!
Haar vader riep haar en zei: “Kom je, Marina? We gaan een ijsje halen. Ik weet dat je nog maar vijf minuten in het water bent, maar als je wilt mag je er weer in als je ijsje op is.”

Share on facebook
Facebook
Share on twitter
Twitter
Share on linkedin
LinkedIn

4 reacties

Laat een reactie achter op amberblogt Reactie annuleren

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *