baby,  ouderschap

Schreeuwlelijk

Mijn vierde kind was een huilbaby.
Vanaf ongeveer 2 weken na z’n geboorte begon hij extreem veel en hard te huilen zodra ik verder dan een halve meter bij hem vandaan was. Hij accepteerde zelfs z’n eigen vader niet. Dat resulteerde erin dat ik amper aan m’n huishouden toe kwam en maar met moeite even kon douchen – en altijd klonk er dan geschreeuw op de achtergrond. Of zeg eigenlijk maar: op de voorgrond.
Het gehuil was zo doordringend dat ik bang was dat dat iemand Veilig Thuis zou bellen uit vrees dat wij ons kind verwaarloosden.
We kregen van alle kanten adviezen.
De kraamverzorgster had ons een filmpje laten zien over Dunstan Babytaal. Dat is een methode waarmee je de verschillende huiltjes van je kind mee zou kunnen onderscheiden; is het honger (‘nèèèh!’), vermoeidheid (‘owh’) of zijn het krampjes (‘eairh’). Daar schoten we helaas erg weinig mee op, want onze zoon deed alleen maar “WAAAAAAAAAHHHHHHHHHH!!!” Het was onmogelijk om daaruit op te maken of hij honger had of een vieze luier of gewoon een rotkarakter. 😂
Op het consultatiebureau werd gezegd: “Misschien moeten jullie hem laten huilen.”
Euh, ja. Als we dat hadden gewild hadden we in de eerste plaats niet eens een probleem gehád, duh.
Als klap op de vuurpijl hadden we op dat moment ook nog buren die ervan overtuigd waren dat ze beter dan wij wisten hoe je met een baby moet omgaan en die om de haverklap aan de deur kwamen met allerlei goedbedoelde tips, zoals: “Hij heeft waarschijnlijk drinken nodig.” (Wat dachten ze dat we zouden zeggen? “Gunst, goeie tip, hij is nu een paar maanden oud en dát hadden we nog niet geprobeerd?”)
Op een gegeven moment, toen hij bij wijze van uitzondering een keer sliep in plaats van schreeuwde, hoorde ik mezelf zelfs aan z’n vader vragen: “Kun jij even kijken wat er aan de hand is? Ik hoor de baby niet huilen.”
We hadden gelukkig de mazzel dat onze zoon wél rustig werd als hij in mijn armen lag – maar dat was dan ook het enige dat hielp. Hele dagen droeg ik hem rond of zat ik met hem op de bank. En ’s nachts sliep hij tegen me aan. Ik denk dat het feit dat we wel redelijke nachten maakten ertoe heeft bijgedragen dat we het volhielden en ik heb dan ook een mateloos respect gekregen voor ouders van huilbaby’s die ook ’s nachts de hele provincie bij elkaar krijsen.
Maar ook wij voelden ons uiteraard heel vaak machteloos. Omdat wij de humor er een beetje in probeerden te houden, hebben we weleens gekscherend tegen elkaar gezegd: “Zullen we hem in de kliko doen?” Maar ja, dat is ook weer zo zonde. Dan zit je kliko gelijk vol en iedereen weet dat je er tegenwoordig twee weken mee toe moet.
Op een gegeven moment werden we doorverwezen naar het ziekenhuis, waar ze hem een aantal nachten wilden opnemen om te onderzoeken waarom hij zo huilde. Toen we voor de andere kinderen een oppasadres geregeld hadden (de man moest gewoon werken en ik zou bij de baby blijven) en we in het ziekenhuis kwamen, werd ons duidelijk dat het de bedoeling was dat hij alléén kwam. Daarmee gingen we niet akkoord, want hoe zwaar het ook was, we wilden ons kind niet dagen- en nachtenlang achterlaten, wetende dat hij dan juíst extra zou huilen omdat ik er niet was. Bovendien gaf ik borstvoeding, ook nog ’s nachts, dus hem daar laten was absoluut geen optie.
In plaats van dat ze in het ziekenhuis besloten om dan maar de medische onderzoeken te doen met mij erbij, werden we gewoon onverrichterzake naar huis gestuurd.
Na ongeveer 10 maanden werd het huilen geleidelijk aan gelukkig iets minder en sliep onze zoon af en toe in z’n eigen ledikant. Het leek beter te gaan.
Hij werd een peuter met een behoorlijk kort lontje en een grote eigen wil.
Als ik in de supermarkt was moest ik hem bijna vastspijkeren in de buggy, omdat hij anders stampvoetend en schuimbekkend op de vloer ging liggen als hij niet aan verpakkingen mocht likken, niet met potjes mocht smijten en óók nog eens geen donut kreeg als beloning voor z’n goede gedrag. 

Lees ook: Mijn peuter is een driftkikker

Dat hij vast zat maakte hem overigens ook woedend en dat zag er zó uit:


Voorbijgangers bemoeiden zich er vaak mee en zeiden dan: “Ach, ben je zo verdrietig?”
(Nee joh, hij is ontroerd door alle aandacht die hij krijgt.)
“Och, wat zielig…”
(Ja, heel zielig. VOOR MIJ.)
“Is hij soms boos?”
(Welnee, zo doet hij altijd als hij blij is.)
Eén keer werd ik door het personeel van een winkel zelfs bijna weggestuurd. Er werd letterlijk gezegd: “Kun je niet naar huis gaan met dat schreeuwende kind?”
Dus ik vroeg: “Heeft u er nú al last van?”, waarop bevestigend geknikt werd en ik zei: “Kunt u nagaan hoe zwaar het is als je er al jarenlang in zit. Ik ga gewoon even m’n boodschappen doen.”
De keer erna heb ik tegen dezelfde man gezegd: “Hier ben ik weer met m’n schreeuwlelijk.” (Wat overigens een nogal overbodige boodschap was voor iedereen in de wijde omtrek die niet doof was.)
“Doet u anders even oordopjes in, ik ben zo snel mogelijk weer weg.”
Er werd wat schaapachtig gelachen, maar ik ben nooit meer weggestuurd. 😁
Wel vond ik het zoetjesaan tijd worden dat er iets ging veranderen, want ik kreeg zo ondertussen last van een keiharde piep in m’n oren – náást het geluid dat m’n kind de hele tijd produceerde.
Ik overwoog om met hem naar een babyfluisteraar te gaan, maar vreesde dat die zich niet verstaanbaar zou kunnen maken. Dus koos ik ervoor om onze zoon mee te nemen naar een craniosacraaltherapeute.
Nou ben ik nogal nuchter ingesteld en geloofde ik eigenlijk niet echt dat het zou gaan helpen, maar een kat in het nauw maakt rare sprongen. En dus togen we naar een naburig dorp waar de praktijk van de craniosacraaltherapeute gevestigd was.
Ze deed een beetje hocus-pocus en winti en ik geloof ook nog wat voodoo en hoppa! Als bij toverslag was onze portemonnee ineens leeg.
En ons kind, je zult het bijna niet geloven, huilde nog precies even veel als daarvoor. Het was potdikke net magie!

Tegen alle ouders die ook met een huilbaby te kampen hebben wil ik tenslotte nog het volgende zeggen: het wordt beter. Écht! Kijk maar naar mijn zoon.
Godzijdank is hij geen huilbaby meer.
Hij is nu een huilkleuter.

(Lees: een heerlijk ventje dat nog steeds behoorlijk heetgebakerd is.)

 

Share on facebook
Facebook
Share on twitter
Twitter
Share on linkedin
LinkedIn

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *