kinderen,  opvoeden,  ouderschap

Wat ik zeg versus wat mijn dochter hoort

Soms lijkt het of mijn dochter van 7 een andere taal spreekt. Als ik in het Nederlands iets tegen haar zeg, verstaat zij iets héél anders. Enkele voorbeelden:

“Kleed je aan.”
Wat ik bedoel:
Doe je pyjama uit en leg hem netjes onder je kussen. Ga je wassen en trek daarna de kleding aan die op je stoel klaarligt.
Wat zij denkt dat ik bedoel:
Doe je pyjama uit en smijt hem op de grond. Maak een washandje nat zodat mama denkt dat je je gewassen hebt. Doe één sok aan en ga met je Barbies spelen totdat mama vraagt waar je blijft. Pak zelf een outfit uit de kast; in de winter je zomerjurk en als het 30 graden is in de schaduw je glittervestje van het kerstdiner. In ieder geval bij voorkeur het onderste uit iedere stapel. Zorg dat het volstrekt niet matcht.

“Smeer je brood.”
Wat ik bedoel:
Smeer je brood. Doe het in je broodtrommel en stop je broodtrommel in je tas.
Wat zij denkt dat ik bedoel:
Smeer pindakaas aan de keukenkast en oh ja, ook nog een beetje op je boterham. En een beetje meer. En nog een beetje meer, totdat de pot bijna leeg is. Open een nieuwe pot en herhaal stap 1.
Lik het mes af, zet het terug in de pot en ga tv kijken.

“Schiet eens op.”
Wat ik bedoel:
Doe wat strikt noodzakelijk is en verder niets, doe het zo snel mogelijk en begin NU.
Wat zij denkt dat ik bedoel:
Treuzel zo erg mogelijk. Wacht voor iedere volgende stap op instructies van mama. Doe alsof je opeens geen veters meer kunt strikken. Bedenk op het laatste moment dat het speelgoeddag is en dat het briefje daarover nog in je la op school ligt. Ga op zoek naar de knuffel die je al sinds vorig jaar september kwijt bent en zeg dat het toevallig net precies je lievelingsknuffel was en dat je onder geen enkele voorwaarde zonder die knuffel naar school kunt. Ga toch zonder knuffel naar school als mama paars aanloopt.
Wees verbaasd als je te laat bent. Geef mama de schuld omdat ze pas om 06.00 uur opstond.

“Ruim je rommel op.”
Wat ik bedoel:
Leg alle spullen die van jou zijn terug op de plek waar je ze vandaan hebt.
Wat zij denkt dat ik bedoel:
Gooi van het speelgoed dat in de mand hoort twee stuks in de mand. De rest doet mama wel. Leg van de spullen die in de kast horen een paar dingen bovenop de kast en laat de rest op de grond slingeren, dat ruimt mama wel op. Ga tv kijken totdat mama weer moppert dat je moet opruimen. Herhaal wat je eerder deed en ga tv kijken totdat mama kwaad wordt. Kwak dan al het speelgoed dat nog zichtbaar is in de kast. Denk niet aan het moment dat mama de kast opendoet. Wie dan leeft, wie dan zorgt.

“Eet je eten op.”
Wat ik bedoel:
Eet je eten op.
Wat zij denkt dat ik bedoel:
Eet het lekkerste uit je bord als eerste op. Prik daarna doelloos met je vork in je eten. Doe af en toe alsof je een hap neemt. Verdeel je eten over je bord zodat het minder lijkt. Zeg dat je buikpijn hebt en écht niet verder kunt eten. Probeer geloofwaardig over te komen door te huilen.
Vraag of er een toetje is.

“Let even op je kleine broertje.”
Wat ik bedoel:
Zorg dat je broertje in de huiskamer blijft en nergens op klimt. Ik ga even boven de wasmachine aanzetten, ik ben zo terug.
Wat zij denkt dat ik bedoel:
Ga lekker tv kijken terwijl mama heel lang weggaat om haar hobby uit te oefenen. Op je broertje letten is volstrekt onnodig; hij is al 2, dus hij redt zichzelf wel. Kijk heel verbaasd als hij toch van een stoel sodemietert en mama met een noodvaart naar beneden komt gerend. Doe alsof je ontzettend goed aan het opletten was en dat je geen idee hebt hoe het kan dat de tv opeens aan is. Geef de kat de schuld.

“Maak geen ruzie met je broer.”
Wat ik bedoel:
Ga een meter bij je broer vandaan op de bank zitten, houd je mond dicht en negeer hem.
Wat zij denkt dat ik bedoel:
Ga een meter bij je broer vandaan op de bank zitten, met je gezicht in zijn richting. Strek je benen zo uitgebreid dat je per ongeluk tegen zijn knie schopt. Herhaal dit totdat hij boos wordt. Zeg tegen mama dat je broer vervelend doet. Ga huilen als ze niet jouw kant kiest.

“Blijf van mijn spullen af, je hebt genoeg speelgoed.”
Wat ik bedoel:
Blijf van ál mijn spullen af. Dit hier is VAN MIJ. En dus niet VAN JOU.
Wat zij denkt dat ik bedoel:
Gebruik mama’s spullen zo vaak je wilt, want behalve 36 Barbies – van wie 32 nog mét hoofd – en 1 Ken, het Pinypon hotel, pretpark, zwembad en winkelcentrum, 58 My Little Pony’s, een curverbox vol Lego Friends, 6 poppen met een poppenbed, poppenwipstoel, poppenwagen, poppenautostoel, poppenflesjes, poppenspeentjes, poppenluiers en 24 setjes poppenkleertjes, rolschaatsen, een step, een fiets, een springtouw, een glijbaan en een trampoline heb je bijna geen speelgoed en dus móet je mama’s spullen wel pakken.
Als er iets kapot gaat of wegraakt koopt ze het toch gewoon nieuw, met geld dat ze zomaar uit de muur kan halen.

“Ik houd van jou.”
Wat ik bedoel:
Ik houd zoveel van je dat ik al jouw gekke streken voor lief neem, want ik vind je het meest fantastische meisje van 7 dat ik ken en ik zou je nóóit willen missen. Ik ben er trots op dat ik jouw mama ben.
Wat zij denkt dat ik bedoel:
Ik houd van jou. Maar dan moet je wél nu je kamer opruimen.

Lees ook: 12x hoe doen andere ouders dat?

2 reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *