opvoeden,  ouderschap,  peuter

Mijn peuter is een driftkikker

Mijn oudste zoon (bijna 10) is een kind met een gebruiksaanwijzing die helaas foetsie is. Vooral toen hij een peuter was, was hij echt extreem moeilijk.
Daar ben ik achteraf heel blij mee, want daardoor heb ik een behoorlijk dikke huid gekweekt en maak ik me eigenlijk niet meer zo héél snel druk om wat anderen van mij vinden.
Ik kan mij herinneren dat mijn hyperactieve zoon als tweejarige in een bloemperk rende toen ik heel even afgeleid was omdat ik met mijn ogen knipperde.
Een passerende mevrouw vond het kennelijk nodig om zich met mijn kind te bemoeien en zei op kattige toon tegen hem: “Ga eruit!”
Waarop ik haar vriendelijk vertelde dat ik de opvoeding wel voor m’n rekening zou nemen, aangezien het míjn kind was.
Ik trok het kind aan zijn capuchon uit de bloemen en liep verder. De mevrouw riep me na dat het kennelijk niet zo best lukte, met die opvoeding.
Het viel me op dat zij anders óók een paar essentiële puntjes gemist had, zoals: “Bemoei je met jezelf” en “Kam je haar.”
Maar toen ik dat zei was ze me niet eens dankbaar voor de gratis adviezen.
Na mijn oudste kreeg ik eerst twee meiden, met wie ik vrijwel nooit moeilijkheden heb gehad. En twee jaar geleden kregen we er nog een zoon bij. Dat is een enorme driftkikker, maar aangezien ik zijn broer ook heb opgevoed schrik ik gelukkig niet zo snel.
Afgelopen week was ik met hem in de supermarkt en mocht hij van mij niet eens zeven zakken chips in zijn karretje laden, dus voelde hij zich onrechtvaardig behandeld en stortte hij zich krijsend ter aarde.
Ik zei: “Blijf jij even lekker liggen, dan kan ik rustig verder winkelen. Tot zo.”
Een voorbijgangster keek ernaar en zei: “Het gaat vanzelf over als hij ouder is.” (Ik mag toch hopen dat ze ongelijk heeft en dat het éérder over is, want ik heb niet zoveel zin om in deze driftbuien te zitten tot ik oma ben.)
Een andere mevrouw was van mening dat ik hem gewoon moest laten liggen. Tsja, dat heb ik heus weleens geprobeerd, maar iedere keer als ik naar huis ging kwam hij me toch weer achterna.
Uiteindelijk heb ik mijn boze zoon opgepakt en zonder verdere plichtplegingen vastgegespt in zijn buggy. Waar hij, uiteraard, doodleuk verder ging met schreeuwen.
Toen ik in de rij bij de kassa stond, wisten verschillende mensen wel even te vertellen wat er met mijn kind aan de hand was. (Goedbedoeld, dat besefte ik wel, maar ik vond het toch een beetje vervelend.)
Hij had namelijk, volgens meneer 1, honger (aha, vandaar die zeven zakken chips, ik begreep het al niet).
Volgens mevrouw 3 was hij “moe, hè schatje, want hij wrijft in zijn ogen.” (Nee mevrouw, hij wil u gewoon niet aankijken omdat hij woedend is.)
Mevrouw 4 wist zeker dat hij zo schreeuwde omdat hij het niet leuk vond in de buggy. (En waarom denkt u dat hij daarin zit, mevrouw?)
Meneer 2 dacht dat hij het koud had, want het regende ook zo hè. (Maar we waren in een overdekte supermarkt hè.)
Uiteindelijk was ik het een beetje zat.
Ik wenste dat ik iets meer op mijn man leek. Als mensen commentaar leveren waar hij bij is, kijkt hij ze namelijk gewoon zó chagrijnig aan dat ze van schrik meteen een blokje om gaan.
Bij mij doen ze dat ook wel hoor; dan geven ze eerst commentaar en daarna gaan ze een blokje om en dan komen ze gewoon nóg een keer commentaar geven. Ik zie er blijkbaar uit alsof ik helemaal niks van kinderen snap of zo. (Oké, dat laatste is waar, maar dat geeft mensen niet het recht om mij de hele tijd te vertellen hoe het moet.)
Helaas had ik mijn man deze keer niet bij me. Dus zei ik uiteindelijk, best wel hard: “Nee, mijn kind is niét moe, ziek, uitgehongerd of verwaarloosd. Hij heeft gewoon een rotkarakter.”
Het was meteen stil.
Behalve in de buggy natuurlijk.

Lees ook: Dingen die je hoort als je kind in het openbaar een driftbui heeft

8 reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *