eten,  kinderen,  ontwikkeling,  opvoeden,  ouderschap

Mijn kinderen hebben honger

In Afrika lijden een heleboel kindertjes honger. Hier in huis trouwens ook, maar dat komt omdat ze unaniem vinden dat ik niet kan koken.
Het zou mooi zijn als mijn kinderen af en toe even zouden stilstaan bij het feit dat ze dankbaar mogen zijn voor hun eten.
(“Er zijn heel veel kinderen die hier heel blij mee zouden zijn.”
– “Nou, dan is het zonde dat het opgegeten wordt door kinderen die het niet lusten.”)
Sommige mensen bedanken God of Moeder Aarde voor hun maaltijd, maar ik zou het ook goedkeuren als ze mij bedankten. Ik ben tenslotte degene die iedere dag bedenkt wat we nu weer gaan eten en de boodschappen doet.
Heel soms kook ik en dan mogen ze ook nog dankbaar zijn als het eten niet aangebrand of halfgaar op tafel komt. (Daar ben ik dan namelijk zelf óók heel blij om; daarom is mijn man de kok bij ons thuis.)
Meestal bestaat het bedankje uit: “Blèèègh, mag ik een toetje?”
Maar goed; de appel valt niet ver van de boom, want ik lijk op mijn moeder. Zij kon namelijk óók niet koken. Als kind dacht ik altijd dat ik niks lekker vond. Tot ik bij andere mensen ging eten en erachter kwam dat ik heus wel spaghetti, macaroni, nasi en bloemkool lustte – alleen niet als mijn moeder het gemaakt had.
En mijn kinderen lijken op míj; ik ben nu 37 en zeur nog steeds dat mijn moeder vroeger altijd zulke vieze dingen maakte.
Maar het is ook gewoon de waarheid. Mijn moeder was zelfs heel slecht in boterhammen klaarmaken. Als we met het gezin een dagje uit gingen, nam mijn moeder altijd een plastic trommeltje met zelfgesmeerde boterhammen met zweetkaas mee.
Die waren zó smerig dat ik pertinent weigerde ze te eten. Ik ging liever op een normále manier dood, zeg maar.
Maar ik was wel zo slim om mijn ouders te laten dénken dat ik ze opgegeten had. Althans, totdat ze de auto gingen verkopen en mijn vader hem voor het eerst helemaal schoonmaakte. Achter de achterbank vond hij toen allemaal stukken brood die zo hard geworden waren dat je er iemand mee kon doodmaken – had ik toch een beetje gelijk gekregen.
Maar goed: ik heb dus een eettrauma. Ik deed op m’n zéstiende nog drie kwartier over een krentenbol.
Jammer genoeg heb ik een belangrijke les laten liggen; ik had gewoon moeten leren koken, zodat ik mijn kinderen niet dezelfde drab hoefde voor te schotelen als mijn moeder altijd bij mij deed ik had gewoon dankbaar moeten zijn dat ik überhaupt eten op mijn bord kreeg, ook al was het dan niet iedere dag een culinaire sterrenmaaltijd.
Helaas eten mijn kinderen (op één na) net zo slecht als ik vroeger.
De eerlijkheid gebiedt mij te zeggen dat dat vooral is wanneer ík gekookt heb. Als ik van plan ben om iets simpels te maken en op Google de zoekterm ‘makkelijk recept’ invoer, begint dat meestal met zoiets als: “Neem enkele bloemen van look-zonder-look, breng ze aan de kook in water uit de Oost-Chinese Zee en laat ze drie dagen sudderen bij maanlicht.”
Dan denk ik: “Laat maar, ik maak wel weer gewoon aardappels met groente.” En zelfs dát laat ik nog mislukken.
Ik probeer dan op alle mogelijke manieren om de kinderen te laten eten, maar helaas, ze werken allemaal voor geen meter.
Zo heb ik ooit de regel ingevoerd dat ze geen toetje krijgen als ze niet fatsoenlijk eten.
Inmiddels mogen ze tot eind 2048 geen toetje meer: “En als je nu je bord niet leeg eet, krijg je óók je toetje van 1 januari tweeduizendnégenenveertig niet!!!”
Geen enkel effect, kan ik je vertellen.
Mijn jongste zoon begon weliswaar te brullen alsof ik hem geslagen had, of, erger nog: alsof hij geen toetje mocht, maar normaal éten, ho maar.
Ik probeerde nog: “Als je geen aardappels eet dan mag je ook geen groente,” maar daar was ook niemand van onder de indruk.
Wat wel raar is: wat ik op tafel zet eten ze niet, maar ze stoppen de rest van de dag wél van alles in hun mond: modder, kiezelstenen, Playmobilpoppetjes, eikeltjes en noem maar op. (En ik maar roepen: “Modder is niet om te eten! Eikels horen niet in je mond, dat doet mama toch ook niet!”)
Als we aan tafel zitten belandt alleen het lekkerste uit hun bord in hun magen – en dat is doorgaans niét de groente; die mag ik later van het plafond bikken.
Wat ze wel doen: lusteloos in hun bord rondprikken en het eten met hun vork over het bord verdelen zodat het minder lijkt. Na twee happen beweren dat ze zó vol zitten dat ze buikpijn hebben. (Maar als er een toetje is hebben ze daar gek genoeg altijd nog ruimte voor.)
En wat ze vooral doen is kletsen. Heel veel kletsen. Net zolang tot ik er genoeg van heb en er iets van zeg. En dan doen ze helemaal níks meer.
“Waarom eten jullie niet?!”
“Dat kan niet mam.”
“Hoezo niet?”
“Jij zei toch dat we onze mond dicht moesten houden.”

Lees ook: Ik ben zo’n moeder die…

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *