huis en inrichting,  kinderen,  over mezelf

Let op de rommel, anders struikel je erover

Ik houd van een opgeruimd en georganiseerd huis. Dat zou je niet zeggen als je bij ons thuis komt, maar dat is de schuld van de kinderen.
Zij houden namelijk ook enorm van een opgeruimd en georganiseerd huis, maar dan alleen als ik degene ben die het opruimen en organiseren voor haar rekening neemt.
Het zal wel een kwestie van erfelijkheid zijn. Ik houd er toevallig óók erg van als een ander het werk doet. Hoewel, ik heb geen hekel aan opruimen, maar wel als het de troep van iemand anders is.
En als ik er dan toch mee bezig ben – omdat ik anders een zenuwinzinking krijg – en ik heb net het speelgoed in de kinderkamers gesorteerd, dan zul je zien dat er ergens anders in huis de pleuris is uitgebroken. Dan zitten er kralen in de suikerpot (mijn peuter kan klimmen), klei in een autootje of een appel in de videorecorder (wij zijn oldskool joh, we eten namelijk nog appels).
Opruimen is bij ons thuis synoniem aan water naar de zee dragen.
Ik doe wel mijn best om alles een beetje op orde te houden en er een systeem in aan te brengen. Zo hebben we bijvoorbeeld een kast voor de spelletjes. Daarin liggen de verkleedkleren, de kinderfilms en de knuffels. En volgens mij ook nog een paar memorykaartjes en dobbelstenen, maar ik kan me vergissen.
We hebben ook een grote box voor de knutselspullen. Met een deksel, zodat de rommel er niet uit valt. En dat gebeurt dan ook nooit, want de schaar, lijm en snippers papier liggen er namelijk keurig bovenop.
Vorige week had ik mijn oudste dochter opdracht gegeven om haar kamer te gaan opruimen. In eerste instantie kon ze ‘m nergens vinden. Maar uiteindelijk, na drie uur uitmesten, kwam ze ‘m tegen onder een berg kleding, speelgoed, aangekoekte onderbroeken en ondefinieerbare zooi.
Dat was één van de weinige keren dat de uitvoering van mijn opdracht geslaagd was. De meeste andere keren dat ik haar opdraag om een eind te maken aan de vuilnisbelt (hahaha, ik heb echt gevoel voor understatement), ontdek ik haar een halfuur later midden in de bende en is ze heerlijk aan het spelen met een Barbie die ze heeft gevonden tussen de Playmobil in de bak van de My Little Pony’s.
Ik moet eerlijk toegeven dat ook dát genetisch bepaald is. Als ik een poging doe tot opruimen (slash weggooien) van oude meuk op zolder, kun je er donder op zeggen dat je me aantreft ergens achter de tweede doos links, verdiept in mijn oude dagboeken. Als ik die eenmaal vind, kan ik ze maar moeilijk wegleggen. Ik móet gewoon weten hoe het afloopt.
In de jaren tachtig zongen ze bij ‘Kinderen voor Kinderen’ al: “Als je moeder iets opruimt, dan ben je het kwijt”. Daaraan valt niet te tornen. Vroeger bij mijn ouders thuis was dat zo en nu is het ’t credo in mijn eigen gezin. Als ik iets veilig opberg zodat de kinderen het niet kunnen vinden, dan ben ik het zelf kwijt.
Soms kom ik ergens op visite waar het steriel is; dan ligt er één Duploblokje en dan wordt er gezegd: “Let niet op de rommel!”
Euh, welke rommel?!
Ik zeg juist altijd: “Let op de rommel, anders struikel je!”
Misschien zou ik me erbij moeten neerleggen dat mijn huis alleen schoon en netjes is als de kinderen er niet zijn. Dan pak ik ze later, als ze hun eigen huis hebben, wel terug.
Of misschien zou ik een schoonmaakrooster in de keuken moeten hangen.
Dan smijten we daar gewoon alle rotzooi achter.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *