kinderen,  opvoeden,  peuter,  peuterspeelzaal

Even wennen

Mijn oudste kind (zoon, inmiddels 10) heeft een gebruiksaanwijzing die foetsie is.
Hij is voor mij de leukste, liefste zoon op aarde (samen met zijn jongere broertje, dat spreekt voor zich). Maar om hem te begrijpen en zijn gedrag in goede banen te leiden heb ik naast heel veel liefde (die er in overvloed is) extreem veel geduld nodig.
Veel van zijn doen en laten vormt echter ook een grote inspiratiebron. Zo was zijn eerste keer peuterspeelzaal een dag om nooit te vergeten.
Hij was twee jaar en vier maanden oud toen hij daar voor het eerst heen ging.
Ik ging mee, want ik durfde de juf niet meteen met hem alleen te laten.
We kwamen binnen toen de groep al in de kring zat. Speciaal voor mijn zoon was er een stoeltje gereserveerd, waarop hij meteen achterstevoren plaatsnam omdat er in de kast achter hem interessant speelgoed lag.
Juf zei: “Hij moet vast nog even wennen.”
Ik dacht: “Hij zit altijd achterstevoren of op de kop.”
De andere peuters keken met grote ogen naar mijn kind. Ik vroeg me af of ze hem een raar jongetje vonden.
Na de onderbreking ging juf verder met waar ze mee bezig was geweest toen wij het lokaal in kwamen. Ze zong een liedje en gebaarde erbij. Ik stond perplex, want de peuters deden precies wat juf deed.
Mijn zoon deed als ik iets deed altijd precies het tegenovergestelde. Of hij deed alsof hij doof was en ging Hamertje Tik spelen op een vaas.
Na de kringactiviteit kondigde de juf aan dat we naar buiten gingen.
Het lokaal grensde aan het speelplein en alle peuters op één na liepen in een keurig rijtje via de achterdeur het plein op. Ik keek er met verbazing naar en keek toen weer terug naar de plek waar twee seconden eerder mijn kind stond.
Hij was echter spoorloos verdwenen. Na enkele minuten zoeken vond ik hem op een ander schoolplein; hij was door de voordeur van de school naar buiten geglipt.
Ik greep hem in zijn kraag en trok hem aan zijn capuchon weer naar het peuterlokaal.
Juf zei: “Hij moet echt nog wennen hè.”
Ik knikte braaf en dacht: “Hij loopt altijd weg.”
We liepen naar buiten. Dat wil zeggen, juf en ik.
Mijn kind trok een sprintje en stortte zich in een regenplas.
Juf riep: “Oh jee, hij valt!” en ze rende als een haas naar mijn kind toe.
Ik dacht: “Oh nee, hij sodemietert weer eens ergens in” en bleef staan waar ik stond.
Zonder plichtplegingen stond mijn zoon op uit de plas, duwde een kind van een driewieler en racete ervandoor. Een groepje peuters stoof verschrikt uiteen.
Weer binnengekomen gingen ze om tafel zitten (de peuters die al gewend waren) en rondjes rennen (mijn peuter).
Ondertussen vertelde juf mij over de gang van zaken op de peuterspeelzaal.
“De kinderen nemen geen koek mee, maar een stuk fruit. We vinden het belangrijk dat de peuters gezond eten.”
Vanuit mijn ooghoeken zag ik dat mijn zoon ergens op kauwde. Het was een krijtje.
Ik zat met mijn knieën naast mijn oren op een stoel formaat peuter, want er was maar één stoel voor volwassenen. Je mag drie keer raden wie daarop ging zitten. Eén hint: het was niet de juf.
Die was namelijk bezig met het opendraaien van bekers en het pellen van mandarijntjes. Ondertussen stond haar koffie koud te worden in het midden van de tafel.
Mijn kind herinnerde haar aan haar koffie door de mok om te gooien.
“Oh jee, oh jee,” zei juf terwijl ze de koffie haastig begon op te deppen, “hij moet nog even acclimatiseren.”
Ik dacht: “Zo doet hij altijd als hij zich ergens thuis voelt.”
Maar ik mompelde halfslachtig tegen hem dat hij niet de koffie van de juf mocht omgooien, foei.
Hij luisterde niet; hij was druk bezig met het leegeten van een bakje fruit. Dat van zijn buurpeuter was.
De andere kinderen aten netjes uit hun eigen bakje en veegden daarna hun mond schoon met een doekje dat juf ze gaf. Ik viel bijna van mijn stoeltje.
Toen de beproeving erop zat en de andere kinderen opgehaald waren kwam de juf naar me toe en zei: “Ik heb nog nooit zo’n druk kind meegemaakt als jouw zoontje.”
Ik dacht: “Ik heb nog nooit zulke makke schapen meegemaakt als die andere koters.”
Maar dat zei ik niet.
“Ik vraag me af of hij misschien te veel suiker eet?” zei juf.
Ik vroeg me af of zij misschien te veel azijn dronk.
“Hij moet nog even wennen,” zei ik.

8 reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *